







|
De Schapendoes |
|
F.C.I.-STANDAARD No 313/ 14-04-1999 NEDERLANDSE SCHAPENDOES GEBRUIK INDELING KORTE HISTORISCHE SAMENVATTING Hij behoort tot de grote groep van langharige herdershonden met dicht behaard hoofd. Hij is verwant aan de Bearded Collie, de Puli, de Owczarek Nizinny, de Bobtail, de Briard, de Bergamasco en de Duitse Schafpudel van de variëteit die in Hessen, Odenwald en in het Nederrijn gebied voorkomt. Al deze op elkaar gelijkende honden zijn verkleinde mutaties van de Berghonden. De kynoloog P.M.C. Toepoel is de grondlegger van dit ras. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wist hij interesse te kweken voor dit ras. Tussen 1940 en 1945 werden exemplaren van de bijna verdwenen Schapendoes overal waar hij ze maar vond, gebruikt voor de fok. De Vereniging 'De Nederlandse Schapendoes' werd in het jaar 1947 opgericht en in 1952 werd het ras voorlopig erkend door de Raad van Beheer. In 1954 werd de standaard vastgesteld en werd het ras opgenomen in het Stamboek. De definitieve erkenning volgde in 1971. Hierna wordt alleen nog maar gefokt met geregistreerde honden. ALGEMENE VERSCHIJNING GEDRAG EN TEMPERAMENT HOOFD SCHEDEL AANGEZICHT Neus: De neuslijn ligt iets lager dan de lijn van de schedel. Snuit: De snuit is korter dan de afstand tussen stop en de achterhoofdsknobbel. De snuit versmalt nauwelijks, blijft diep en eindigt breed, is alleen een beetje afgerond op het eind. Van opzij gezien moet bij gesloten mond de onderkaak duidelijk zichtbaar zijn. Tanden: Normaal ontwikkeld schaargebit. Wangen: Sterk uitspringende jukbeenderen. Ogen: De ogen zijn vrij groot, rond en liggen normaal in de oogkassen. Ze zijn meer voor in het hoofd dan opzij geplaatst. De kleur is bruin; zij mogen niet de indruk wekken zwart te zijn. Het oogwit mag alleen bij sterk opzij kijken zichtbaar worden. De uitdrukking is vrijmoedig, eerlijk en levendig. Vorm, kleur en uitdrukking zijn erg karakteristiek voor het ras. Oren: Deze zijn vrij hoog aangezet, niet groot en niet vlezig. Ze hangen vrij, maar niet dicht tegen het hoofd. Ze zijn rijkelijk behaard en beweeglijk, maar mogen niet boven de schedellijn uitkomen. HALS LICHAAM Ruglijn is gewelfd over de sterk gespierde lendenen. De borst is diep. De ribben zijn matig tot goed gewelfd en lopen ver door naar achteren. Onderlijn en buiklijn mogen niet te sterk opgetrokken zijn. STAART LEDEMATEN Voorhand: De voorbenen zijn recht en licht van bot. De voorhand moet goede hoekingen en voorborst tonen. Voormiddenvoet: Veerkrachtig. Achterhand: Goed hellend bekken, lage hakken. Spronggewricht: Matig gebogen en goed gespierd, en laag. VOETEN GANGWERK VACHT Haar: De schapendoes heeft een dichte vacht met voldoende ondervacht. De beharing is lang, minstens 7 cm op de achterhand. De haren zijn niet streng recht, maar golven iets. Uitgesproken krulhaar (kroeshaar) is niet toegestaan. De haren groeien dicht opeen, zijn dun en droog, vooral niet zijdeachtig. De vacht heeft de neiging, daar waar deze lang is, in plukjes van elkaar te gaan staan, waardoor de schapendoes, vooral achter, een grote omvang krijgt. De schapendoes heeft een geduchte kuif, snor en baard. Kleur: Alle kleuren zijn toegestaan. Voorkeur gaat echter uit naar blauwgrijs tot zwart. GROOTTE FOUTEN DISKWALIFICERENDE FOUTEN NOOT
AARD Levendig, gespannen, moedig, schrander, trouw, waakzaam, herder van nature, soms wat eigenzinnig, lief voor kinderen en sociaal. De schapendoes heeft een familie nodig die van hem houdt en is een rustieke, levendige, onvermoeibare en moedige hond. Hij is nooit nerveus of agressief. Hij is aanhankelijk, opgewekt, speels en trouw, maar daarentegen ook onafhankelijk en koppig. Hij heeft behoorlijk wat beweging nodig, want hij heeft nog steeds heel wat van zijn herderscapaciteiten behouden. Omdat een schapendoes een sociale hond is, kan hij slecht tegen alleen zijn.
U kunt met deze gezelschapshond in de stad gaan wonen, maar dan moet u hem beslist elke dag voldoende lichaamsbeweging geven en bij voorkeur los laten rennen.
OPVOEDING
|
